Hildewarisbier te koop

Sixpack voor 10 euro te bestellen bij het secretariaat, banknr. 13.44.63.188. U ondersteunt hiermee de stichting.

Wie van de twee

Door Bas Aarts

‘Hildewaris’, wie van de twee?

Bas Aarts

De onlangs opgerichte “Stichting Reuzengenootschap Hilvarenbeek” presenteerde zich op maandagavond 10 september 2007 in “De Roos” aan de buitenwacht. De plannen voor de nabije toekomst werden ontvouwd en de keuze voor ‘vrouwe Hildewaris’ bij het gaan maken van de eerste reuzenpop werd nader toegelicht. Paul Spapens hield een lezing over reuzen en reuzenpoppen in het volksgeloof en de (moderne) folklore. Bas Aarts mocht de figuur van ‘Hildewaris’ voor het voetlicht brengen. Die laatste voordracht vindt u hieronder tekstueel uitgewerkt. Het is een verslag van een jarenlange speurtocht naar mistige gebeurtenissen van ruim duizend jaar geleden. Een verhaal met verrassende wendingen, nog wat losse eindjes, maar toch met een bevredigend eindvoorstel.

Het verloren boek

Laten we vooraan beginnen. Met de naam van het dorp. De oudste vermelding is Beika (1155), uitspraak “Beeka”. Voor wie er nu woont, is het in de volksmond nog steeds “Beek”. Tussendoor heeft de dorpsnaam ooit een voorvoegsel gekregen. Kort na 1300 duikt namelijk “Hildeware” op: 1303 Hildewaren beke; 1304 Hildewarenbeecke. Even later blijkt het daarbij om een vrouwennaam te gaan en zelfs een heilige: 1331 Beke sancte Hildewardis; 1331 Beke der heyliger Hildevardi. Dat ‘heilige’ verloren we kort daarop weer. Het bijbehorende verhaal beklijfde kennelijk niet, want toen men omstreeks 1600 van buitenaf aan de kanunniken van het Beeks kapittel vroeg naar welke heilige dame het dorp dan precies genoemd zou zijn, was men niet in staat daar een bevredigend antwoord op te geven. Toch hadden de kanunniken wel iets in huis wat meer informatie had kunnen verschaffen. Begin 17de eeuw konden ze namelijk op verzoek wel enkele uittreksels produceren van een middeleeuws boek over de dorpsgeschiedenis. Dat boek ging helaas verloren in de woelingen van de Tachtigjarige Oorlog, mogelijk bij de opheffing van het kapittel in 1648. Alleen die bescheiden uittreksels resteren nog. Ze bieden interessante informatie, maar roepen ook allerlei vragen op. Er wordt in de bewaardgebleven fragmenten gesproken van ‘Hilvarenbeek’, dus het originele boek zal op z’n vroegst uit de 14de eeuw gedateerd hebben. Er wordt verhaald van graaf Ansfried van Hoei (circa 985), die zijn domein Lommel schenkt aan ‘de kerk’ van Beek. Ansfrieds vrouw, de H. Hilsuïndis, wordt genoemd, evenals hun dochter de H. Benedicta, de eerste abdis van hun kloosterstichting Thorn. Verder is er sprake van ‘Hildewaris’, vrouwe van Beek en Rode (St.-Oedenrode), die de ‘kerken’ van Beek en Rooi gesticht zou hebben en waarvan ook een graf bekend moet zijn. In verband met Ansfrieds schenking wordt vervolgens nogmaals gesteld dat Beek zijn kerk te danken had aan, ditmaal, de ‘H. Hilwaris’, die de St.-Pieter in Rome als voorbeeld had genomen (voor een stenen St.-Petruskerk?).

Twee ‘Hildewarissen’

Op het eerste gezicht lijken die ‘H. Hilwaris’ en ‘vrouwe Hildewaris van Beek en Rode’ wel gekoppeld te mogen worden. Toch hadden 17de- en 18de-eeuwse onderzoekers van de materie al snel door dat het hier om twee verschillende dames moet gaan. De ‘H. Hilwaris’ uit de tijd van graaf Ansfried (later bisschop van Utrecht 995-1010) zal iemand uit de 10de eeuw zijn geweest. Bij de ‘vrouwe van Beek en Rode’ vinden we een toevoeging in de uittreksels, die stelt dat haar optreden geplaatst moet worden “70 jaar na de overbrenging van de H. Oda”. Met die ‘overbrenging’ wordt de religieuze ceremonie bedoeld, waarbij de relieken van St. Oda – een heilige uit de 8ste eeuw – van de oorspronkelijke begraafplaats werden overgebracht naar de kapittelkerk van Rode (nu de St.-Martinuskerk) om daar voortaan vereerd te mogen worden. We weten dat deze plechtigheid, onder leiding van de bisschop van Luik, plaatsvond omstreeks 1102. Daarmee wordt het optreden van ‘vrouwe Hildewaris’ dus op het eind van de 12de eeuw geplaatst. Onze spaarzame bronnen munten echter tegelijk uit in allerlei tegenstrijdigheden. Dat deze ‘vrouwe Hildewaris’ de kerken van Beek en Rode ‘gesticht’ zou hebben, was tegelijk ongeloofwaardig, gelet op de bekende geschiedenis van deze kerken (1155 eerste vermelding kapittel Beek) en de eerdergenoemde ‘stichting’ door de ‘H. Hilwaris’ ten tijde van of eventueel nog vóór het optreden van graaf Ansfried (circa 985). Men nam dan ook aan dat de bemoeienis van de verondersteld 12de-eeuwse ‘vrouwe Hildewaris’ verband hield met de ontwikkeling van het kapittel of met een verbouwing van de Beekse kerk. Omdat ook de ‘H. Hilwaris’ in een van de bedoelde uittreksels als ‘vrouwe Hildewaris’ te boek staat lopen beide dames toch regelmatig dooreen en kwam de feitelijke naamgeefster aan het dorp nooit helder uit de verf. Om onze ‘reuzin’ toch van een acceptabele achtergrond te kunnen voorzien, lopen we alle hoofdpersonen kort nog eens langs om te zien wat dat nog oplevert.

Ansfried

We beginnen met Ansfried, omdat we daar het meeste van weten. Geboren omstreeks 940 uit een geslacht van adellijke grootgrondbezitters, waarvan de goederen – zoals toen nog gebruikelijk – verspreid lagen over heel de Lage Landen als onderdeel van het Duitse Rijk. Opgevoed door zijn ooms, graaf Ansfried “met de 15 graafschappen” en aartsbisschop Rotbert van Trier, kwam hij al jong in de gunst bij Otto I van het Duitse Rijk. Toen deze in 962 in Rome tot keizer werd gekroond, waakte Ansfried over hem als zijn zwaarddrager. Vermoedelijk doorliep Ansfried vervolgens een bestuurlijke carrière in Italië, alvorens terug te keren naar de Lage Landen. Hier werd hij ingezet als graaf (met bestuurlijke, juridische en militaire taken), naar we weten in Hoei (985) en in de gouw “Brabant” (tussen Schelde en Dijle). Intussen was hij gehuwd met Hereswind (Hilsuïndis/Hilsondis). Zijn echtgenote beschikte over uitgebreid grondbezit in westelijk Texandrië (het westen van het huidige Noord-Brabant), waaruit ze omstreeks 990 goederen schonk ter ondersteuning van de (adellijke) vrouwenabdij Thorn die ze samen met haar man had gesticht. Hun dochter Benedicta werd hier de eerste abdis. Bij gebrek aan een zoon werd op deze manier toch geprobeerd het familiebezit zoveel mogelijk bijeen te houden. Ansfried zelf moet in Lommel een uitgebreid domein hebben bezeten, dat hij volgens onze verloren bron overdroeg aan de ‘kerk’ van Beek. Dit misschien als een financieel-economische onderbouwing voor de creatie van een klerkencollege, later het kanunnikenkapittel. Hoewel het Beeks kapittel haar hoofdhoeve in Lommel in 1227 zou verkopen aan Averbode, hield het ter plaatse nog lang allerlei inkomsten en voorrechten. Na de dood van zijn vrouw werd Ansfried door Otto III gevraagd om bisschop van Utrecht te worden. Hij aanvaardde dit ambt (995-1010) en gaf er een orthodox-ascetische invulling aan. Na zijn overlijden in het door hem gestichte klooster Hohorst (Heiligenberg) in Leusden bij Amersfoort, werd hij al spoedig erkend als een (middeleeuwse) heilige.

Hereswind –Hilsondis

Zijn overleden vrouw had inmiddels die status ook bereikt. Rond haar graf in Thorn was een bescheiden cultus ontstaan. Haar man had haar daar bijgezet na haar heengaan. Ze was daar echter niet gestorven. De goed geïnformeerde tijdgenoot Thietmar van Merseburg verhaalt hoe zij, ziek geworden op haar hof in Gilze, toch nog naar Thorn wilde reizen om bij haar dochter te zijn. Dat haalde ze echter niet. In het huis van een meier (soort rentmeester) onderweg kwam ze te overlijden, waarbij – zoals Thietmar vertelt – zelfs de wilde honden van de meier hun ontzag toonden voor de ‘heilige dienstmaagd des Heren’. Na haar verscheiden werd het lichaam door Ansfried opgehaald en begraven in Thorn. Het oord van haar overlijden wordt nergens genoemd, maar als we ons de meest logische route tussen Gilze en Thorn voorstellen, past Hilvarenbeek daar aardig in. We weten dat er hier (in de Westerwijk en op de Biest) ook goederen van Thorn lagen (als de meest oostelijke begrenzing van het ‘West-Brabants’ bezit). Daarmee krijgen we in Hereswind/Hilsuïndis/Hilsondis een aardige kandidaat voor de op zich onbekende ‘H. Hilwaris’ die de Beekse kerk gesticht zou hebben vóór 1000. In Beek was en is er geen graf of grafcultus geweest met betrekking tot de heilige naamgeefster aan het dorp. Dat pleit voor iemand die hier eventueel overleden was, maar er niet begraven werd. Daarbij komt nog dat men in Thorn, vanuit een eigen traditie, in het verleden Hereswind/Hilsondis soms ook van de naam “Hildewaris” voorzag. Dat gebeurde weliswaar (door gebrek aan deugdelijke bronnen) in een vaak verwarrende context en zonder een link te leggen of te kennen met Hilvarenbeek, maar het geeft toch te denken.
Voor de vrouw van Ansfried staan de religieuze stichtingsactiviteiten én haar heiligheid buiten kijf. Voor een identificatie met ‘onze’ heilige Hildewaris komt ze dus zeker in aanmerking. Haar stoffelijke resten rusten sinds de 18de eeuw in een smal loden kistje, dat tegenwoordig staat tentoongesteld in de gotische crypte van de abdijkerk van Thorn.

Hildewaris, het spoor terug

Dit brengt ons, tot slot, tot die tweede Hildewaris, die in ons verhaal een rol speelt. In 1494 begreep kapitteldeken Johannes van Nispen (de man van het fresco achter in de Beekse kerk) uit het nu verloren boek dat (de 12de-eeuwse) ‘vrouwe Hildewaris van Beek en Rode’ hoogstwaarschijnlijk begraven lag in St.-Oedenrode. Aangezien hij daar ook kapitteldeken was, kon hij daar – als onze eerste heemkundige – een ‘archeologisch’ onderzoek laten instellen. Men vond daarbij het aan ‘vrouwe Hildewaris’ toegeschreven graf bij de ingang van de toren van de St.-Odakerk met daarin nog enkele overblijfselen. In 1507 werd er voor haar een nieuw graf met een nieuwe zerk gemaakt. De tekst hierop betitelt haar als “vrouwe van Rode en Beek, gravin van Rode”. Met enige vrijheid was hiervoor de nu verloren boektekst als inspiratiebron gebruikt. De steen verdween later, maar kwam bij de herbouw van de (nu St.-Martinus)kerk in 1913 tevoorschijn en prijkt sindsdien in het bewaardgebleven laat-15de-eeuwse koor. In 2004 werd de steen gelicht ten behoeve van het veelbekeken programma “Spoorzoeker” van Omroep Brabant. De in 1913 respectvol opgeborgen resten werden weer teruggevonden en het botmateriaal kon wetenschappelijk worden onderzocht. Het bleek te gaan om een vrouw van omstreeks 40 jaar, die geleefd moet hebben tussen circa 970 en 1040.[1] Als dit inderdaad de bewuste ‘vrouwe Hildewaris’ is geweest, dan vallen daar enkele opmerkingen aan te verbinden. Haar optreden in verband met Beek en Rooi moet definitief verschoven worden van omstreeks 1170 naar het begin van de 11de eeuw. Haar achtergrond zal gezocht moeten worden in de familie van de heren van Rode of een direct aanverwant geslacht. Wat dat laatste betreft, de levensjaren van beide ‘Hildewarissen’ naderen elkaar op deze manier vrij dicht. Gelet ook op de naamsverwantschap tussen de Rooise ‘Hildewaris’ en de Thornse Hereswind/Hilsondis/’Hildewaris’ kunnen we een familieband tussen beide dames niet langer uitsluiten.

Conclusie

Nu terug naar Hilvarenbeek en de ‘reuzin’. De samensteller van ons verloren middeleeuwse boek met zijn fragmentarische mededelingen wist ook niet meer precies hoe het werkelijk zat. Hij legde geen directe relatie tussen Ansfrieds vrouw, de ‘H. Hilsuïndis’ (Hilsondis), en de ‘H. Hilwaris/Hildewaris’ van Beek. Men had enkel notie van een vage heilige die de Beekse kerk gesticht zou hebben. Die bewuste heilige werd echter, vreemd genoeg, niet in Beek vereerd en lag daar zeer zeker ook niet begraven. De nu letterlijk in St.-Oedenrode teruggevonden ‘vrouwe Hildewaris’ werd daarentegen nooit als een heilige beschouwd. Alles overziende en redenerend vanuit onze huidige (en altijd beperkte) kennis lijkt me daarom Ansfrieds echtgenote, de heilige gravin Hereswind (ook ‘Hildewaris’ genoemd in Thorn), toch de meest geschikte kandidate om straks vereeuwigd te worden.

Literatuur

Het behandelde onderwerp wordt uitvoerig uitgediept in: B. Aarts, ‘Hildewaris van Beek en Rode. Nog een legende met een historische kern?’, dat te zijner tijd zal verschijnen in: A.J.A. Bijsterveld en P. Nissen (red.), Rondom Rode en Sint-Oda.